Afscheidsrede voor Luce Lefevre

Beste Lieve, beste familie, beste vrienden van Luce. Er werd mij gevraagd vandaag een woordje te zeggen en ik ben daar dankbaar voor, vooral omdat dit mij de gelegenheid geeft om hulde te brengen aan Luce. Een welverdiende hulde, want wie Luce gekend heeft zal zeker niet tegenspreken dat er over hem veel goeds te zeggen valt. En dan denk ik eerst en vooral aan de tedere zorgen waarmede hij Lieve permanent omringde, maar ook aan zijn oprechte en diepe bezorgdheid om zijn familieleden, die hij nooit in de steek heeft gelaten. Ik denk hier in het bijzonder aan zijn zus en haar kinderen.

Dat Luce ook bekommerd was om de mensen in het algemeen, blijkt overduidelijk uit wat ik niet anders kan noemen dan “zijn openbaar leven”. Met andere woorden: uit zijn houding en handelen tijdens de lange, zeer lange dagen die hij jaar in jaar uit doorbracht in zijn Vlaams Huis “De Roeland”, en dan bedoel ik uiteraard de enige echte Roeland, aan de Korte Kruisstraat, die een paar keer nagebootst werd, maar nooit geëvenaard. En dit laatste zal wel voor een groot deel te maken hebben gehad met de diepe menselijkheid van Luce. Als ik aan hem denk, dan zie ik hem nog altijd staan achter de toog van “zijn Roeland”. Bescheiden en toch zelfzeker. Ik heb zelf, zoals zovele anderen, jarenlang de Roeland bijna dagelijks bezocht, ’s middags en ’s avonds. En toen ik deze tekst aan het voorbereiden was, kwam ik plots tot de ontdekking dat ik in gans die tijd, ondanks de dolle of dramatische momenten waarvan het Vlaams Huis zo vaak het toneel geweest is, Luce nooit de stem heb horen verheffen. Ik denk dat hij dit niet wou, en dit bovendien ook niet nodig had. Luce stond op zijn plaats. Achter die toog. Altijd met een glimlach. Zij het dat het op triestige ogenblikken het slechts een zweem van een glimlach was. Hij sprak immers ook met zijn ogen, en die keken dan ernstig of bezorgd. In tegenstelling tot met wat velen denken is het uitbaten van een café – en uiteraard ook van een restaurant – geen eenvoudige zaak. Ik had het daarnet al over de lange werkdagen, maar daarbij komt nog het in orde houden van de bevoorrading, het administratief beheer, de fiscaliteit, de boekhouding. En dan is dit nog niet alles. In feite is een goede cafébaas iemand die een roeping heeft. En Luce had die roeping. Vanzelfsprekend kon hij goed omgaan met al zijn klanten. De minder lastigen en de zeer lastigen. Gemakkelijk cliënteel; dat bestaat niet.

Maar Luce had nog iets meer. Om dit uit te leggen moet ik eventjes de haakjes openen. Ik hoop dat eerwaarde heer François het mij niet kwalijk neemt, maar de ontkerstening van Vlaanderen heeft diepe, en soms totaal onvermoedbare wonden in onze maatschappij geslagen. Vele mensen missen wat ik niet anders kan noemen dan een biechtvader. En ik heb het hier dan niet zo zeer over de verstrekker van het sacrament van de penitentie, dan wel over het luisterend oor dat ter beschikking staat van die mens die er nood aan heeft om bij een ander zijn hart te luchten. Hoe dikwijls heb ik Luce niet zeer laat in de avond achter zijn toog geduldig zien staan bij die laatste klant, die waarschijnlijk schrik had om naar huis te gaan omdat hij daar met zijn eigen eenzaamheid zou geconfronteerd worden, en dan maar zijn hart uitstortte bij Luce die, hoe laat het ook was, toch aandachtig en meelevend bleef luisteren. Heb ik daarstraks overdreven toen ik hem een man met een roeping noemde?

Iets dat ik ook nooit zal vergeten van Luce is dat, op een avond waarop hij mij vertelde van zijn schooltijd in Baden-Baden, hij het op een zeker ogenblik had over een lied dat hij van zijn toenmalige schoolmeester had geleerd en dat ik toevallig ook kende. De tekst, een romantisch gedicht uit de 19e eeuw, sprak hem sterk aan. Geresumeerd luidt de boodschap ervan dat God, die het ijzer geschapen heeft, geen knechten wil maar vrije mensen die op hun rechten staan. En ook dat beeld paste bij Luce. De bescheidenheid die hem eigen was, was niet de bescheidenheid van een lakei, maar wel de bescheidenheid als een aristocratische deugd. De bescheidenheid van mensen die zich bewust zijn van de beperkingen die we allemaal hebben, maar zich desondanks volledig willen inzetten. En aan inzet ontbrak het Luce zeker niet. Jarenlang was de Roeland één van de belangrijkste centra van de Vlaamse Beweging. Indien de geschiedenis van dat huis ooit uitgeschreven wordt, zal men pas vaststellen hoe belangrijk het geweest is in de politieke evolutie van Vlaanderen in de 20e eeuw. Dat dit allemaal ook te maken heeft met die lange dagen die Luce er jaar in jaar uit klopte, kan niemand ontkennen. De Vlaams-nationalist Luce, die op de lijst van de Volksunie gestaan had toen het nog niet modieus was van dit te doen, en toen velen, die later een grote mond zouden opzetten, het nog niet durfden. De Vlaams-nationalist Luce, die het Vlaams Belang een warm hart toedroeg. De Vlaams-nationalist Luce, die lid was van NVOS, VOS, Sneyssens, het ANZ en vooral van Broederband, waarvan hij de ijverige penningmeester was. Ze zullen het moeilijk hebben om hem daar te vervangen. Ze zullen hem missen, zoals wij hem allemaal zullen missen. Luce, we zullen je niet vergeten.

Francis Van den Eynde

Misschien bent u ook geïnteresseerd in ...